Kinderen met Downsyndroom hebben een zwakkere lichamelijke conditie dan andere kinderen. Ook verloopt hun cognitieve en motorische ontwikkeling vertraagd. De moeders van deze kinderen zijn emotioneel zwaarder belast dan andere moeders. Om deze redenen verdienen zij extra begeleiding bij het geven van borstvoeding. Ook voor Down-kinderen is het omwille van hun gezondheid en ontwikkeling van belang dat zij gedurende geruime tijd borstvoeding krijgen.
Downsyndroom is één van de meest voorkomende chromosomale aandoeningen in Nederland. Per jaar worden ongeveer 300 kinderen met Downsyndroom geboren1. Kinderen met Downsyndroom hebben een vertraagde cognitieve en motorische ontwikkeling. Hierdoor verloopt het geven van borstvoeding aan deze kinderen anders dan bij kinderen zonder deze aandoening. Vanwege de specifieke eigenschappen is borstvoeding net als voor andere kinderen ook voor kinderen met Downsyndroom de norm. Borstvoeding bevordert onder andere de hechting tussen moeder en kind en stimuleert de ontwikkeling van de mondmotoriek2. Bovendien ontbreken bij kunstmatige zuigelingenvoeding de bestanddelen die de hersenontwikkeling stimuleren en bescherming bieden tegen (luchtweg)infecties2.
Problemen
Een baby met Downsyndroom heeft meestal een lagere spierspanning, waardoor de zoek-, hap- en zuigreflex zwak kunnen zijn of zelfs ontbreken. Bovendien hebben deze kinderen vaak een grote tong, komen aangeboren hartafwijkingen meer voor en hebben ze dikwijls een moeizame ademhaling. Dit maakt dat kinderen met Downsyndroom meestal niet krachtig kunnen zuigen, zich gemakkelijker verslikken, sneller vermoeid zijn, minder goed groeien en meestal meer tijd nodig hebben om goed te leren drinken. Dit geldt zowel voor drinken uit de borst als voor drinken uit een fles.
Wetenschappelijk onderzoek
Een Nederlands onderzoek1 naar de incidentie van borstvoeding vanaf de geboorte bij kinderen in Nederland vond een significant verschil: 48% van de kinderen met Downsyndroom kreeg borstvoeding, tegen 78% van de kinderen in de algemene populatie.
Ook in een onderzoeksgroep van 560 kinderen met Downsyndroom in Italië werd aangetoond dat kinderen met Downsyndroom minder vaak borstvoeding kregen dan kinderen zonder Downsyndroom3. Van de kinderen met Downsyndroom kreeg 43% borstvoeding en van de kinderen zonder deze aandoening 85%. De gemiddelde duur van de borstvoeding verschilde ook significant: 54 dagen bij de kinderen met Downsyndroom en 164 dagen bij de andere kinderen. De pasgeborenen met Downsyndroom die waren opgenomen op een neonatologieafdeling kregen minder vaak borstvoeding dan de pasgeborenen met Downsyndroom die niet werden opgenomen: 30% tegenover 54,6%. Pasgeborenen met Downsyndroom die niet werden opgenomen, kregen echter minder vaak borstvoeding dan baby’s zonder Downsyndroom.
Volgens moeders zijn de belangrijkste redenen om geen borstvoeding te geven aan kinderen met Downsyndroom3:
-
ziekte van de baby;
-
teleurstelling of depressie bij de moeder;
-
angst voor een tekort aan moedermelk;
-
zuigproblemen bij de baby.
Andere redenen waarom kinderen met Downsyndroom minder vaak borstvoeding krijgen zijn3:
-
opname in het ziekenhuis, waardoor moeder en kind worden gescheiden en medische
interventies het geven van borstvoeding belemmeren;
-
een vaak laag geboortegewicht;
-
zwakke mondmotoriek;
-
lage spierspanning.
Uit onderzoek blijkt dat baby’s met Downsyndroom gemiddeld genomen succesvol borstvoeding kunnen krijgen. Wel is er vaak sprake van voedingsproblemen, zoals een zwakke zuig- en zoekreflex4. De onderzoekers vonden ook dat meer Down-baby’s met een ernstige hartafwijking problemen hadden met drinken, zowel aan de borst als uit de fles.
Veel kinderen met Downsyndroom hebben onder andere anatomische en neuromotorische afwijkingen in het mondgebied, waardoor ze meer voedingsproblemen hebben5. Zij hebben een verminderde coördinatie, zoals een lagere spierspanning, verminderde controle over de tong en open-mondgedrag.
Verantwoordelijke zorgverleners
De begeleiding van borstvoeding bij kinderen met Downsyndroom behoort tot het domein van de volgende zorgverleners:
-
diëtisten;
-
huisartsen;
-
jeugdgezondheidszorg;
-
kinderartsen;
-
kraamverzorgenden;
-
lactatiekundigen;
-
logopedisten;
-
verloskundigen;
-
verpleegkundigen.